ONDERWIJS
Israël
Maandelijkse overdenking
 Israël artikel mei 2022

Israël en het geheimenis van de Gemeente

 

Voor inzicht in Gods heilsplan is het niet alleen belangrijk om oog te hebben voor de unieke positie, die God zowel Israël als de Gemeente afzonderlijk heeft toebedeeld, maar ook om oog te hebben voor de historische ontwikkeling waarin Hij Zijn heilsplan uitvoert.

Hoewel de Bijbel onderscheid maakt tussen Jood en Griek, vervalt dat onderscheid in het Lichaam van Christus. Zo zegt Paulus:’ … want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt.’ 

(1 Korintiërs 12:13)

 

Als ‘gelovigen uit de heidenen’ kunnen we ons nauwelijks voorstellen wat een enorme omslag in denken dit voor religieuze Joden als Petrus en Paulus bv. moet hebben betekend. Omgang met heidenen was voor Joden ‘not done’, want heidenen waren onrein. Denk bijvoorbeeld aan Petrus’ reactie als hij naar de heidense Cornelius wordt gestuurd. Daar aangekomen zegt hij doodleuk:

’Gij weet, hoe het een Jood verboden is zich te voegen bij of te gaan tot een niet-Jood; doch mij heeft God doen zien, dat ik niemand onheilig of onrein mag noemen.’ (Handelingen 10:28) 

 

Pas toen een nieuwe fase in Gods heilsplan aanbrak, werd alles anders. Paulus beschrijft dit in zijn hoofdstuk over de eenheid van de Gemeente:’Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft’.

(Efeziërs 2:14-16).

In zijn brief aan de Kolossenzen beschrijft Paulus ditzelfde heilsfeit, maar dan vooral als overwinning over satan en zijn trawanten: ‘Ook u heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold, door het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen: Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd’(Kolossenzen 2:13-15).

 

Voor een goed begrip van Gods Woord is het dus heel belangrijk, dat we de verschillende heilsfeiten in hun historische onderlinge samenhang zien. 

Zo zien we, dat Paulus de ontwikkeling van de Gemeente, waarin gelovige Joden en heidenen tot één zijn gemaakt, vanuit een bepaalde tijdsontwikkeling beschrijft: ‘Bedenkt daarom dat gij, die vroeger heidenen waart naar het vlees, en onbesneden genoemd werd door de zogenaamde besnijdenis, die werk van mensenhanden aan het vlees is, dat gij te dien tijde zonder Christus waart, uitgesloten van het burgerrecht Israëls en vreemd aan de verbonden der belofte, zonder hoop en zonder God in de wereld. Maar thans in Christus Jezus zijt gij, die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus’. (Efeziërs 2:11-13)

 

Er was dus een ‘vroeger’ en een ‘te dien tijde’ dat heidenen, als onbesnedenen (besnijdenis was het verbondsteken tussen God en Israël), geen aanspraak konden maken op de zegeningen van dat verbond. Zij waren in die tijd ‘zonder hoop en zonder God in de wereld’.

Het was de tijd, waarin Israël onder de wet ‘in verzekerde bewaring’ werd gehouden (zie Gal. 3:23) 

Maar nu zijn de heidenen door het bloed van Christus dichtbij gekomen.

Dat was tot voor kort een geheimenis in Gods heilsplan, aldus Paulus: ‘Daarnaar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten: (dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie …..’ (Efeziërs 3:4-6). 

Let op het tijdselement dat Paulus hier inbrengt: de onthulling van dit geheimenis wordt pas onthuld vanaf Paulus’ bediening. 

Lees maar wat hij schrijft in de verzen 8 en 9: ‘Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen’ (zie ook Kol. 1:26). 

Met als gevolg dat ‘thans (!) door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden’ (:10).

 

Als we dit geopenbaarde geheimenis van de Gemeente goed begrijpen, zullen ook veel Bijbelse waarheden met betrekking tot Israël op hun plaats vallen. 

Dan zullen we zien, dat Gods plan met Israël en de Gemeente ontwikkelingsfasen kent, en worden we behoed voor verkeerde gedachten en leringen. 

Want - hoewel nu, in deze fase van Gods heilsplan, de Gemeente uit gelovige Joden en heidenen wordt gevormd - zal God straks opnieuw de draad met Israël oppakken. 

Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden’ (Romeinen 11:25, 26).

 

Het geheimenis geopenbaard…...opdat wij niet eigenwijs zouden zijn….