ONDERWIJS
Israël
Maandelijkse overdenking
 Israël artikel januari 2021

ZO KONING ZO VOLK

 

Het evangelie van Matteüs begint met het ‘geslachtsregister’ van Jezus. Maar voordat Matteüs de generaties gaat opsommen, zegt hij in vers 1: ’Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham.’  En dat roept de nodige vragen op. Want waarom zegt hij dat zo?

Waarom worden ze allebei genoemd? Normaal gesproken begint het met één naam. 

En waarom worden met name David en Abraham er uitgelicht en wordt Jezus hier zowel ‘zoon van David’ en ‘zoon van Abraham’ genoemd?

 

Daarvoor moeten we kijken naar wie David en Abraham waren. David was – behalve herder – ook koning. En Abrahams natuurlijke zoon Isaäk was een voorafbeelding van Jezus als zoenoffer.

Jezus is zo bezien dus èn koningszoon èn zoenoffer.

 

God wordt door de hele Bijbel heen voorgesteld als de Koning van Israël (Psalm 146:10; Jes. 52:7)

Ook Jezus wordt als zodanig aangeduid. Reden waarom de wijzen uit het Oosten de geboren ‘Koning der Joden’ zochten (Matteüs 2:2), en waarom er boven het hoofd van de gekruisigde Jezus het opschrift: ‘Dit is Jezus, de Koning der Joden’ stond.

 

In het algemeen kun je stellen, dat het lot van een koning ook het lot van zijn volk is. Toen bv. de koning van Juda moest buigen voor de koning van Babel, boog bij wijze van spreken zijn volk mee. Als een koning werd gedood of in ballingschap ging, onderging het volk doorgaans hetzelfde lot.

 

De Israëlieten zijn Mij tot knechten’ zegt God in Leviticus 25:55. Dit hield onder meer in dat Zijn volk Israël dienstbaar zou zijn aan de heilsgeschiedenis. Die dienstbaarheid beperkte zich niet alleen tot het ontvangen, bewaren en wereldwijd uitdragen van het Woord van God, en eindigt ook niet met de geboorte van Jezus, maar strekt zich uit over de hele heilsgeschiedenis. En dat tot in de eindtijd.

 

Daarbij zou het volk, als dienstknecht van God, als een levend monument zijn van de weg die eens hun Koning Jezus is gegaan: een kruisweg. Daarin is het volk Israël – ook al is dit tegen wil en dank – een beelddrager van Jezus, de gekruisigde Koning der Joden.

 

Jesaja zegt over Jezus: ’Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.’ (Jesaja 53:3). Voortgaande over haar eeuwenlange kruisweg heeft het volk Israël dat eveneens ervaren: veracht en niet geacht.

 

Net voor Zijn sterven riep de gekruisigde Jezus: ’Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ (Matteüs 27:46). Vanaf het ontstaan van Israël tot en met de dag van vandaag heeft het Joodse hart diezelfde woorden gekend.

 

Jezus heeft in het graf gelegen en is van daaruit herrezen. Door haar verstrooiing onder de volken heeft het Joodse volk eveneens in haar graf onder de volken gelegen. Zoals Ezechiël profeteerde zou het eens uit dat graf herrijzen (Ezechiël 37). En daarvan zien we al de eerste tekenen. 

 

Maar eens zal de Koning der Joden in heerlijkheid verschijnen en Zijn Koninkrijk op aarde vestigen. 

 

En zal er een einde gekomen zijn aan de eeuwenlange kruistocht van het Joodse volk.