ONDERWIJS
Israël
Maandelijkse overdenking
 Israël artikel juli 2020

DE GROTE GO’EL (VERLOSSER)

 

God spreekt vaak Zijn volk aan, maar minstens één keer spreekt Hij ook rechtstreeks het ‘land’ aan: Haärets, het aloude land van de belofte: ’Land, land, land, hoor des Heren Woord…’ (Jeremia 22:29)  Deze woorden staan weliswaar in het kader van een oordeelaanzegging (over koning Konjahu oftewel Jojakin), maar ze illustreren ook nadrukkelijk de betekenis, die God aan ‘Haärets’ hecht.

 

Dat brengt ons bij de belangrijke figuur van de Go’el. Een Go’el (letterlijk ‘verlosser) is in de Hebreeuwse Bijbel en de rabbijnse traditie iemand die, als naaste familielid van een ander, de plicht heeft de rechten van de ander te herstellen en zijn onrecht te wreken.

 

In het oude Israël was de wetgeving rond de Go’el een belangrijk onderdeel van de Mozaïsche Torah (zie vooral Leviticus 25:23-34). Als een Israëliet in problemen gekomen was moest de naaste bloedverwant voor hem in de bres springen; die trad dan op als Go’el. Zo is het God, Die, als de grote Go’el, voor Zijn volk in de bres springt.

Wat is de taak van de go’el?

1. Hij moest de (gewoonlijk door zijn eigen schuld) tot slavernij vervallen Israëliet weer vrijkopen, loskopen, in vrijheid stellen (Leviticus 25:35-55)

 

2. Hij moest het verloren land, dat in vreemde handen was terecht gekomen, weer vrijkopen en het aan de oorspronkelijke eigenaar of diens naaste familie teruggeven: ’En het land zal niet voor altijd verkocht worden, want het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij. In het gehele land, dat gij in bezit hebt, zult gij lossing voor het land toestaan.’ (Leviticus 25:23-34)

 

3. De go’el kon ook optreden als ‘go’el haddam’ (letterlijk ‘losser van bloed’), in de gangbare vertaling:’bloedwreker’. Als iemand door een ander gedood was, moest een naaste familielid van de gedode persoon als ‘bloedwreker’ optreden door de doodslager te doden (Num.35:9-34, Jozua 20).

 

4. Als er aan het erfdeel, dat gelost moest worden, een vrouw verbonden was, en wel de kinderloze weduwe van de gestorven eigenaar, moest de Go’el ook bij deze vrouw een erfgenaam verwekken. Omdat deze go’el gewoonlijk een zwager van deze vrouw was, spreekt men ook wel van het leviraatshuwelijk (van het Latijnse levir, ‘zwager’). (Deut. 25:5-10; zie ook Ruth 3 en 4).

 

De go’el heeft vooral ook een diepe, profetische betekenis, zoals blijkt uit het feit dat het woord vaak voorkomt in Jesaja 40-66, maar dan met betrekking tot Israël – volk en land – in het Messiaanse vrederijk.

God Zelf is hier de grote Go’el, en Hij zal, in de Persoon van Jezus, bij aanvang van het Messiaanse vrederijk deze vier eerdergenoemde go’el-taken gaan uitvoeren.

Zoals we in Jesaja 40 tm 66  zien, zal God - of eerder nog de ‘Joodse’ Jezus - als het ware de ‘broeder’ (of ‘bloedverwant’) zijn die de 4 aloude taken van de go’el zal volbrengen:

                      

a. De verlossing van Israël:

De Go’el zal de tot slavernij vervallen Israëlieten weer vrijkopen (Jesaja 43:14-20) .

Na het in herinnering brengen van Israëls zonden vervolgt God (44:3): ‘Want Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal Mijn Geest uitgieten op uw nakroost en Mijn zegen op uw nakomelingen.’ Deze belofte werd niet vervuld in de tijd na de Babylonische ballingschap, maar zal in het Messiaanse rijk in vervulling gaan. (Ez. 36:24-27; Joël 2:28 ev)

 

b. Het vrijkopen van het aloude land Israël:

De Go’el zal het verloren land – Haärets – dat in vreemde handen was geraakt, weer vrijkopen en het aan de oorspronkelijke gebruikers – Israël – teruggeven (Jesaja 44:24-28). Ook hier gaat de tekst in 1e instantie over de terugkeer onder koning Kores (44:28; 45:1), maar verwijst ook ver daarboven uit naar de tijd dat voor God (lees: de Messias) elke knie zich zal buigen, elke tong bij hem zal zweren (45:23,24; vgl Fil. 2:8-11), en heel het nageslacht van Israël in God gerechtvaardigd zal worden en het zich zal beroemen (Jesaja 45:25; 60:21; Romeinen 11:26).

 

c. Wraak oefenen over Israëls vijanden:

De Go’el zal ook optreden als Go’Haddam, de ‘losser van bloed’ oftewel ‘de bloedwreker’, Degene die het vergoten bloed van de Israëlieten zal wreken aan hun vijanden (Jesaja 49:26):

En Ik zal uw verdrukkers hun eigen vlees doen eten, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden als van jonge wijn; en al het levende zal weten, dat Ik, de Here, Uw redder ben. En Uw Verlosser, de Machtige Jakobs.’  

Ook hier gaat de tekst veel verder dan de tijd direct na de Babylonische ballingschap:

Zo zegt de Here Here: Zie, Ik zal Mijn hand opheffen tot de volken en Mijn banier opheffen voor de natiën; in hun armen zullen zij uw zonen brengen, en uw dochters zullen op de schouders gedragen worden.’ (Jesaja 49: 22 ev.)

 

d. De bijbehorende bruid ten huwelijk nemen:

De Go’el zal de verstoten bruid Israël weer aannemen als Zijn echtgenote (Jesaja 54:4-8).

Ook hier verwijst de context weer naar het Messiaanse Rijk:

Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen en met machtigen zal hij de buit verdelen, omdat Hij Zijn leven heeft uitgegoten in de dood, en onder overtreders werd geteld, terwijl Hij toch vele zonden gedragen en voor de overtreders gebeden heeft.’ (Jesaja 53:12)

 

Want naar rechts en links zult gij uitbreiden en uw nageslacht zal de volken in bezit nemen en de verwoeste steden bevolken.’ (Jesaja 54:3)

 

Een wonderlijk werk van God, dat eens, in het Messiaanse vrederijk ten volle zichtbaar zal worden:

een bevrijd volk Israël, in een hersteld land Israël, zonder dat een vijand het ooit nog zal kunnen bedreigen.

De weduwe, die een korte tijd alleen was, wordt voor altijd door de grote Go’el als bruid aangenomen:

Ik zal u Mij tot bruid verwerven voor eeuwig: Ik zal u Mij tot bruid verwerven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming; Ik zal u Mij tot bruid verwerven door trouw; en gij zult de Here kennen.’  (Hosea 2:18,19)